Het ondergronds is de staat van het gras, en het kan een race compleet omkeren. De officiële Britse schaal loopt van hard via firm, good to firm, good, good to soft and soft tot heavy. Hard bestaat op papier, maar in de praktijk wordt er om welsfareredenen niet in deze omstandigheden gerijwd. Je ziet ook gemengde beschrijvingen zoals "soft, heavy in places", en in Ierland staat "yielding" voor wat in Groot-Britannie good to soft wordt genoemd.
All-weather banen hebben hun eigen schaal: fast, standard to fast, standard, standard to slow en slow.
Banen streven erna om voor springraces good ground te hebben en voor flatraces good to firm, en ze kunnen water geven om het gras zacht te maken. Springpaarden komen veel beter weg in natere omstandigheden dan flatpaarden, waardoor flatraces eerder worden afgelast na zware regen.
Wie bepaalt het, en wanneer het verandert
Het ondergronds wordt voor het eerst gepubliceerd met de startlijst, vijf dagen vooraf, en opnieuw bij de declarations, 48 uur vooraf. Op racedag loopt de clerk of the course vroeg over de baan, vanaf ongeveer 06:00, en geeft de officiële beschrijving, die nog per race kan veranderen na meldingen van jockeys.
Elke Britse clerk is ook verplicht om GoingStick-metingen af te nemen. De stick meet op een schaal van 0 (natste) tot 15 (hardste), met gemiddeld drie metingen op elk van de 30 punten rond de baan. Beschouwd dit als een aanvulling op de beschrijving van de clerk, niet als een vervanging.
Hoe het ondergronds paarden beïnvloedt
Paarden hebben voorkeur, net als wij. Sommige houden van zacht en zwaar gras; andere hebben een snel oppervlak nodig om hun snelheid te tonen. In de racewereld zegt men dat een paard "acts on the going" als het met de omstandigheden kan omgaan. Kijk naar de prestaties van elke starter op het ondergronds van vandaag. Op een natte dag zegt een overwinning op soft of heavy veel meer dan een overwinning op good to firm. Als een paard de omstandigheden nog nooit heeft gezien, geeft het record van zijn vader een redelijke aanwijzing.